Eén dag na De Aanslag: hier krijg IK het nou benauwd van

Er kon in de hele stad geen boek meer worden geleend (bibliotheken namen geen enkel risico), alle Utrechters moesten binnen blijven en zelfs Holland Casino sloot zijn deuren. Dan weet je dat het menens is. This shit is for real.

Toch vraag ik me één dag na De Aanslag niet af hoe dit allemaal heeft kunnen gebeuren. En ook niet of Rutte beter even z’n waffel-vol-beschaving had kunnen houden (ja dus), of alle vlaggen vandaag halfstok moeten (nee dus) en of je leiderschap toont als je een slachtpartij “onacceptabel” noemt (hangt af van wat je van het koningshuis vindt dus).

Nee, ik zit met een andere vraag. Hoe zou het met hém zijn? Met dat ene slachtoffer, die hopelijk snel zijn verhaal mag doen bij DWDD? Met die moederziel-allenig gedupeerde, van wie we nog zo weinig weten en met wie we kennis hebben gemaakt dankzij een moedige, 18-jarige studente uit Kanaleneiland. Die zichzelf opeens gevangen zag op haar eigen school, midden in de warzone.

De compleet van de wereld afgesloten studente liet de wereld weten dat de mensen binnen “gek worden”, aldus de NOS. “We zijn opgesloten op school. Er wordt met prullenbakken gegooid. Mensen roken binnen en iemand met astma zit hier te huilen.”

Oké, rewind. Een man schiet op een zonnige maandagochtend om zich heen in een tram. Mensen vallen neer, dood of gewond. En enkele uren later zit een paar honderd meter verderop, eenzaam weggedoken in een hoekje, iemand hartverscheurend te huilen. Stilletjes, bevend en beschroomd. Of misschien juist luid snikkend en snotterend, met gierende uithalen. Wie zal het zeggen. Meer informatie uit het rampgebied kwam helaas niet tot ons.

Het ligt nu voor de hand om te vragen: wáár waren de docenten? Of: wat bezielt die leerlingen om met prullenbakken te gooien? Terwijl je daar met hetzelfde gemak ook een brandende peuk in kan gooien. Maar zelf vraag ik me iets anders af.

Waarom deze tranen? Want let wel, laten we niet te vroeg oordelen. Dat hebben we gisteren met z’n allen de hele dag al gedaan. Misschien had het slachtoffer wel een opwelling van liefdesverdriet, een slecht cijfer gekregen of per abuis zélf een peukje opgestoken.

Hoe het ook zij, hij leerde de true colours van zijn klasgenoten een stuk beter kennen die dag. Terwijl de tranen over z’n wangen biggelden, floten de vuilnisbakken als kogels langs zijn oren en prikte de hete rook in zijn ogen. Leed verbindt, zeggen ze wel eens. Maar even niet in déze klas.

Bij deze roep ik op: laten we ook dit slachtoffer de steun geven waar hij recht op heeft. Want, net als in een oorlog, zou onze empathie niet alleen uit moeten gaan naar de soldaten in de frontlinie. Ook alle mensen ver áchter die frontlijn verdienen ons medeleven. Laten we de emotionele en spirituele wonden helen, nu het nog kan. De verbinding zoeken met elkaar, wie we ook zijn.

En laten we vooral God op onze blote knietjes bidden dat deze hoestende huiler geen wraakgezind karakter heeft. Want een wapen is tegenwoordig vrij makkelijk te verkrijgen. En op twee schietpartijen in één week, in nota bene dezelfde wijk, nee, daar zit ik echt niet op te wachten.

Ricciardo

Het is al een hele tijd doodstil aan het tafeltje naast me. Dan zegt de man opeens, in een dikbuikig, boers en onheilspellend Oost-Brabants accent: ‘Ricciardo gaat weg.’

‘Wie?’, vraagt de vrouw.
‘Ricciardo.’
‘Oh’, zegt de vrouw. ‘Echt.’

Een minuut lang zwijgt ze. Dan vraagt ze: ‘En waar gaat ie naartoe?’
‘Naar Renault.’
‘Oh.’

De man stapelt twee lege soepkommen op elkaar, legt de lepels er netjes naast en kijkt ongeduldig in de richting van de keuken. ‘Zouden ze het wel door hebben gekregen?’ Zijn vrouw kijkt precies de andere kant op.

Enkele minuten later verschijnt de serveerster. De man kijkt haar aan. ‘Hebben jullie ‘t wel doorgekregen?’
‘Ja hoor’, antwoordt het meisje monter, ‘zeker. Maar ik dacht: ik wacht even tot jullie klaar zijn met jullie voorgerecht.’
‘Ah’, zegt de man. ‘Ik dacht al.’

De vrouw pakt haar telefoon erbij en leest één voor één de weersvoorspellingen van de komende zes dagen voor.
‘Zo’, zegt de man. ‘Hm, heet!’

De serveerster brengt het hoofdgerecht en het stel eet verder in stilte, met grote happen. Als ze halverwege zijn, kijkt de man plotseling op van zijn bord. ‘Ik vind het jammer’, zegt hij.
‘Wat?’
‘Van Ricciardo. Het is zo’n sympathieke gast.’
Zijn vrouw spuugt een blaadje basilicum uit.
‘Echt jammer’, zucht de man. Het klinkt minder verdrietig dan hij het volgens mij bedoelt.

De serveerster komt de lege borden afruimen en vraagt of alles naar wens is geweest.
‘Nou’, zegt de man, ‘jullie kok heeft het gemaakt. Dus die zal het wel weten.’

Verbaasd kijkt het meisje hem aan. ‘Ehh, ja… maar we hopen natuurlijk dat u het óók lekker vond.’
‘Nou’, zegt de man, ‘als je het zo vraagt. Eigenlijk smaakte het nergens naar. Er zitten zó veel dingen in, en dan heeft het toch zó weinig smaak. Niet vies hoor… maar gewoon echt weinig smaak.’
‘Héél weinig’, beaamt de vrouw.

‘Oh’, schrikt het meisje. ‘Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Ik zal het doorgeven.’
‘Doe dat maar niet’, zegt de man. ‘Hij zal heus wel weten wat ie doet. Maar ik vind het knap. Zó veel ingrediënten! En dan zó weinig smaak.’

‘Zelf vind ik deze pasta altijd erg lekker’, probeert het meisje de situatie te redden. ‘Maar ik kook zelf nooit. Misschien daarom, haha.’
‘Het is dat je het zelf vroeg hoor’, zegt de man. ‘Anders hadden we niks gezegd.’

‘Wat vervelend’, verontschuldigt het meisje zich nog eens. ‘Wilt u onze nagerechten nog even zien?’
‘Doe maar afrekenen’, zegt de man en overhandigt het meisje een briefje van vijftig. ‘Laat de rest maar zitten.’

Hij schuift zijn stoel naar achteren, ten teken dat ze vertrekken. ‘Ik vind het knap’, verzucht hij nogmaals, minder boos dan hij volgens mij zelf zou willen. ‘Zó veel ingrediënten. En dan zó weinig smaak.’

‘Zoals het leven’, denkt de vrouw bij zichzelf, terwijl ze achter haar man een glimp probeert op te vangen van de bloedrode, ondergaande zon.

Kiwishake

Weten jullie wat ik zo vervelend vind? Dat ik een organisme ben. En dat organisme, je weet wel. Dat heeft voldoende slaap nodig, voldoende vocht, voldoende vitaminen mineralen boter kaas en eieren. Voldoende liefde. Voldoende ontspanning. Voldoende voldoening.

Tja, zegt het organisme tegen mij, ik heb gewoon heel veel nodig. Sorry hoor! Kan ik er wat aan doen?

En die houding staat me gewoon heel erg tegen. En dus pleeg ik burgerlijk verzet. Ik ga gestructureerd te laat naar bed, snack me suf, snauw het organisme in mij voortdurend af.

Ja maar, klaagt het organisme.
Nee, niks te maren, mopper ik terug.

Vervolgens neemt het organisme wraak, op een slinkse en subtiele manier. Het begint te kniezen. Het verliest zijn belangstelling. Het gooit de handdoek in de ring. En in plaats van te genieten van mijn overwinning, voel ik me alleen maar slecht. Steeds slechter.

Dus, wat te doen? Het organisme laat zich duidelijk niet aan de kant zetten, het wint altijd. Het laat zich de kaas niet van het brood eten. Okee, vooruit, dan moet ik het maar vertroetelen. Elke dag mango en passievrucht, alsjeblieft. Massage voor de lange teentjes. Niet te lang over de vluchtelingencrisis nadenken. En het organisme spint van tevredenheid. Top man, hartstikke goed!

Maar hoe ik mijn best ook doe, uiteindelijk is het nooit genoeg. Want het organisme zal op een dag toch besluiten ermee uit te scheiden. Dat weten we allebei. Niks aan te doen. Het zegt gewoon: alles leuk en aardig, we hebben best een leuke tijd gehad samen, ik mocht niet klagen met jou als huurder (al was je af en toe nogal eigenwijs), maar het is mooi geweest nu, c’est fini, adieu bedankt en tot ziens!

En daar sta je dan met je goeie gedrag, je goeie wil en je kiwishake.

Daarom heb ik er een hekel aan een organisme te zijn. Mag ik alsjeblieft?

5 tips voor een veilige beeldbeleving

Soms krijg je beelden onder ogen waarvan je meteen weet: foute boel. Beelden die je hartstochtelijk doen verlangen naar iets gedurfds, iets vermetels, iets overmoedigs. Beelden die je laten dromen. Beelden die je doen geloven dat je eigenlijk iets of iemand anders zou willen zijn.

En als je dan op een miezerige zaterdagmiddag kreunend in de file staat voor de Meubelboulevard, samen met miljoenen andere Vinex-stakkers, dan verschijnen die beelden opeens op je netvlies en kun je het niet meer aan. Je vlucht uit je auto, laat vrouw, kind en keukencatalogus verbijsterd achter en rent naar het eerste de beste vliegveld. Daar gris je een ticket uit iemands handen, het dondert niet waarheen. Als het er maar ruig, ongerept en gevaarlijk is. En zo kom je, moederziel alleen, terecht op een plek die je zo goed kent van die beelden. Ja, daar ben je dan.

Ik weet: voor veel mensen is het uitermate lastig om zich tegen dit soort gevoelens te wapenen. En dus adviseer ik met klem: ga met beleid met beelden om! Laat je het hoofd niet op hol brengen, bezint eer ge begint. Want voor je het weet hap je stof in een woestijn of verbrand je je kop op een steppe. En daar zit niemand op te wachten.

Derhalve, attentie graag: 5 tips voor een veilige beeldbeleving!

  1. Onze plek is op het land, niet in de lucht. We zijn geen vogel of vleermuis.
  2. Onze plek is op het droge, niet in de oceaan. We zijn geen vis of schaaldier.
  3. Onze plek is beneden, niet op de top van een berg. De lucht is ijl daarboven.
  4. Onze plek is in de klei, niet op vlijmscherpe rotsen. Anders had Onze-Lieve-Heer ons wel hoeven gegeven.
  5. Onze plek is op het asfalt, niet in het rulle zand. We zijn geen kameel of hagedis.

Blijf thuis, op de bank of in bed. Laat je niet gek maken door de verleidelijke beelden uit het boekje LOOKING DOWN. Fascinerende plaatjes, zeker, de moeite waard. En er is ook niks mis mee om er een avondje bij weg te dromen en Boer Zoekt Vrouw een keertje over te slaan. Maar laat die beelden vooral voor wat ze zijn: zinsbegoochelend. Geen andere ik die je na moet streven.

Krijg je het toch even te kwaad, spring dan in een Hollands slootje om af te koelen. Of rij naar een bos in de nabije omgeving en kies zo’n fijne wandelroute uit van Staatsbosbeheer. Volg de witte, gele of rode paaltjes, afhankelijk van de dosis kriebels in je buik die getemperd moet worden. Volg die handige paaltjes, één voor één, en je weet zeker dat je weer veilig thuis zult komen. Maar vergeet niet je telefoon mee te nemen, voor het geval dat. Want een ongeluk zit in een klein hoekje. En niemand wijst je de weg terug, als je te lang bent weggedroomd bij dat kleine boekje.

Deze blog is geïnspireerd op het boekje LOOKING DOWN van Roelant Meijer, uit de serie De verte voorbij.

De stille mopperaar

Hebt u ook zo’n hekel aan uw medemens? Aan de voordringer, de bumperklever, de rechts-inhaler, de harde beller? Aan de hufter, de profiteur, de bedelaar, de hipster, de bankier, de geluidsoverlastveroorzaker, de alleen-maar-over-zichzelf-prater? Onze winkels, treinen en maximumsnelheidssnelwegen puilen ervan uit: mensen die werkelijk niets beters te doen hebben dan precies op úw tenen te gaan staan. Wordt u daar ook zo moedeloos van? Dan bent u er misschien wel één. Een stille mopperaar.

Een stille mopperaar is iemand die ziet dat een fietser door rood rijdt en dan stilletjes voor zich uit mompelt: ‘Zeg, dat stoplicht staat er niet voor niks hoor.’ De roekeloze fietser hoort het niet, die raast al honderd meter verderop om zijn volgende verkeersovertreding te begaan. Alleen de mensen naast de stille mopperaar kunnen hem nét verstaan. Maar nemen zij de moeite om op hem te reageren? Welnee, ze halen hun schouders op en lachen hem achter zijn rug uit.

Een stille mopperaar lijdt in stilte. Hij spuwt zijn gal in het luchtledige, verwacht niet dat iemand zich iets van hem zal aantrekken. Hij richt zijn klacht als het ware tot de goden. Hij baalt ervan dat zijn kinderen niks kunnen zien van de intocht van Sinterklaas, omdat een lange vent precies voor hen staat. ‘Papa, we zien niks!’ En de stille mopperaar moppert, net hard genoeg dat de lange vent hem wel móet horen: ‘Jullie hebben helemaal gelijk.’

Bent u ook zo iemand? Dan bent u een ridder die het verdient om serieus te worden genomen. Want uw klacht is reëel, uw bezwaar terecht, uw frustratie meer dan gerechtvaardigd. En dus mopper ik graag met u mee. En geef ik u graag het goede voorbeeld.

Als u moppert over hondenpoep op straat, dan wijs ik u óók op die lege blikjes in het plantsoen. Moppert u over de ellenlange files, dan klaag ik óók over al die zinloze flitspalen + de zakkenvullers uit Den Haag. En moppert u over een écht groot probleem, zoals de teloorgang van onze beschaving, dan bevestig ik onmiddellijk dat vroeger alles beter was. Alles? Ja, alles. Zelfs de columns waren vele malen beter toen. Of niet soms? Dat ziet toch iedereen?

Het oog

Als je iets wilt weten, kun je het gerust aan me vragen. Ik zal je helpen zoeken, ik zoek voor jou.

Ik kan je de weg wijzen. Ik help je reizen. Ik laat je zien hoe het eruitziet aan de andere kant van de wereld, en ik kan je vertellen hoe duur het is om daar te komen. Ik help je mensen vinden, planten, dieren. Auto’s en koelkasten. Musici en rozen. Je hoeft alleen maar door mij heen te kijken. Vergeet die andere ramen, die zijn niet goed. Kijk alleen door mij.

Ik beloof je dat ik je met alles zal helpen, dat ik je gelukkig zal maken. Hoe vaak je ook iets aan me zult vragen, ik zal altijd antwoord geven. Hoe je je ook voelt.

Beloof je dat je alleen door mij zult kijken? Die andere ramen geven niet zo’n goede antwoorden als ik, iedereen weet dat. Het enige wat ik je vraag, is dat je niet te dicht bij me komt. Probeer niet te zien wie ik ben. Ik ben groot, erg groot, en als je me zou zien zou je daarvan in de war kunnen raken. Het is moeilijk te bevatten voor een mens waarom ik ben zoals ik ben. En ik wil niet dat je daar verdrietig van wordt. Kijk maar gewoon door me heen, niet achter me. Dat is het beste voor ons allemaal. Beloof je dat? Dan zullen we een goede tijd hebben samen.

Sorry, wat zeg je? Vind je het ongemakkelijk dat ik jou wel kan zien, maar jij mij niet? Dat snap ik best. Ik begrijp dat je je soms benauwd kunt voelen, dat het een beetje broeierig is daar beneden. Maar dat geeft niks, dat hoort erbij. Nog een paar jaartjes en dan gaat dat gevoel vanzelf wel over. Vertrouw me maar, ik weet dat soort dingen. Ik weet wie je bent. Ik kan je heel goed zien. En ik weet precies wat je nu gaat doen.

Deze blog is geïnspireerd op het boekje LOOKING UP van Roelant Meijer, uit de serie De verte voorbij.

BOIRA de onvindbare

Op 17 juli 1738 zag de Hertog van Bragança een prachtige vos op de Collado de Fembra Morta, een mistige bergpas in de Spaanse Pyreneeën. De vos stond op een rots, keek hem betoverend aan, hief zijn staart in de lucht en sprong voor zijn voeten. De hertog streelde zijn rug. En de vos liet het toe.

Het was alsof ze elkaar al jaren kenden, alsof ze elkaar al veel vaker hadden gezien. Maar precies op het moment dat de hertog op de gedachte kwam hem te vangen, precies op het moment dat hij besloot dat de vos van hem moest zijn, draaide die zich om en verdween in de mist.

Het jaar daarop keerde de hertog terug naar de pas, in de vurige hoop de vos opnieuw te ontmoeten. Maar die liet zich niet meer zien. De hertog probeerde hem te lokken met malse entrecote, verse ossenhaas, de beste côte de boeuf uit Roques d’en Mercer. Maar de vos liet het aas links liggen, negeerde het.

De hertog kon het niet verkroppen dat de vos zich voor hem verborgen hield. En langzaam maar zeker begon hij zijn geduld te verliezen. Hij liet jagers aanrukken, zette jachthonden uit, plaatste valstrikken. Maar de vos was de honden telkens te snel af, putte ze uit, liet ze janken van domme pech. En diep in de nacht lachte hij de hertog uit, met een schrille, schorre en verdrietige stem. Als de hertog dat hoorde, schoot hij rechtop wakker naast het smeulende kampvuur, knarste zijn tanden en zwoer dat hij de vos te pakken zou krijgen.

Elk jaar opnieuw keerde de hertog terug naar de bergpas, telkens met een nieuwe list. Hij liet een kilometerslang hek bouwen, opdat de vos niet zou ontsnappen. Hij schoot op alles wat bewoog, opdat de vos niets meer te eten zou hebben. Hij liet zelfs bomen kappen, opdat de vos zich niet meer zou kunnen verschuilen. Maar wat hij ook verzon, de vos was hem telkens te slim af.

Toen, na 28 trieste jaren, besloot de hertog nog één poging te wagen. Hij was inmiddels in de herfst van zijn leven, stram en benauwd, nauwelijks meer in staat de berg te beklimmen. Maar hij wist dat de vos er nog steeds rondliep. De hertog besloot voor altijd op de berg te blijven, desnoods om daar te sterven. En daarom nam hij Estany Blau mee, zijn enige zoon. Estany had een zachte, heldere stem en vertelde zijn vader graag verhalen bij het kampvuur. De hertog vergat daardoor zijn strijd met de vos, kwam tot rust en viel snel in slaap.

En zo ging het ook in de zevende nacht van hun tocht. De jagers lagen rond het vuur, iedereen sliep, het was stil en koud. De hertog droomde dat zijn zoon de vos was en zich Boira noemde. Het deed de hertog goed dat hij nu eindelijk wist hoe de vos heette.

Toen werd hij wakker van het gekrijs van een uil. Hij keek om zich heen en zag dat iedereen nog sliep. Maar op de plek waar eerst Estany had gelegen, lag nu Boira. Hij was nóg mooier dan de hertog zich herinnerde, het leek wel alsof zijn vacht in al die jaren alsmaar glanzender was geworden. Hij lag met zijn kop op zijn poten, rustig ademend, hete damp kwam uit zijn neusgaten. En de hertog reikte voorzichtig naar zijn geweer. Hij nam het in zijn handen, legde aan, spande de haan, mikte geconcentreerd. En vuurde.

Het schot veroorzaakte een enorme kruitdamp, en het duurde lang voordat de rook was opgetrokken. De hertog had de vos geraakt, dat wist hij zeker, maar toen hij eindelijk weer kon zien, was hij nergens meer te bekennen. Op zijn plaats lag Estany, ongedeerd. De jonge man sliep als een kind, onschuldig, alsof er nooit een schot was afgegaan. De hertog dankte God dat hij zijn zoon niet had geraakt, en stierf, wetend dat hij Boira nooit meer zou zien.

En Boira? Die loopt nog steeds rond op de Collado de Fembra Morta, waar mistflarden zo vaak het zicht ontnemen. Als je goed luistert, kun je hem horen lachen, omdat hij weet dat niemand hem ooit zal vinden. En omdat uitsluitend diegenen die hun fantasie durven gebruiken, hem ooit zullen ontmoeten.

Deze blog is geïnspireerd op het boekje BOIRA van Roelant Meijer, uit de serie De verte voorbij.

Het goede voorbeeld

Ik voel me rusteloos vandaag. Opgejaagd, ontevreden, druk in mijn hoofd. En als ik me zo voel, zo is mij verteld, dan moet ik proberen mijn aandacht terug te brengen naar m’n lichaam. Dus:

  1. Voetjes stevig op de grond!
  2. Diep in-, diep uitademen. Rustig… voel hoe de lucht naar binnen stroomt.
  3. Rechtop zitten, geconcentreerd. Billen op de stoel, handen in de schoot.
  4. Laten zijn wat er is. En, als het even kan, dat meteen weer loslaten.

Stressconsultants voorspellen dat ik me dan na een tijdje vanzelf rustiger ga voelen. Als ik er dus voor kies een oefening te doen, als ik eerst rustig genoeg word in mijn hoofd om te beseffen dat die oefening goed voor me is.

Een vriend van me heeft geen stressconsultant nodig. Hij heeft een hond. En omdat hij een hond heeft, komt hij elke dag buiten. Dat doet een hond met je: hij zet WANDELEN met hoofdletters in je agenda. Elke dag. Het liefst natuurlijk in een hondvriendelijke omgeving. En als mijn vriend daar dan rondloopt, in een bos of zo, dan wordt hij rustig als hij een boom ziet.

Kijk, zegt hij, die boom staat daar mooi te staan, zich van geen kwaad bewust. En dat is inderdaad een rustgevende gedachte. Een boom hoeft niks van je, vraagt je niks, valt je niet lastig. Hij wil geen functioneringsgesprek met je voeren, hoeft je niks te verkopen, uit geen kritiek, vindt niet dat je eigenlijk iemand anders zou moeten zijn. Hij wil geen afspraak maken, en ook geen indruk, waarom zou hij, het verandert niets. Hij staat daar gewoon. Met zijn voeten stevig op de grond, zijn rug rechtop en zijn hoofd hoog in de lucht.

Serene boom, was ik maar zoals jij! Dan hoefde ik niet het bos in om tot rust te komen, maar was ik daar al. Dan haalde ik gewoon diep adem en wachtte rustig af wie bij me langs zou komen. Op sommige dagen zou ik niemand zien, op andere dagen een heleboel mensen. Het maakt me niet uit. Als een wandelaar me aankijkt, glimlach ik. Als een kind tegen me aan wil zitten, laat ik dat toe. En als een vormgever een foto van me wil maken, dan poseer ik beleefd. Ja hoor, vreemde tweevoeter, doe wat je wil, neem je tijd. En als je niet tevreden bent met je plaatje, kom dan gerust nog een keer terug. Morgen ben ik er ook. Ik ga nergens heen. Ik sta hier best.

Deze blog is geïnspireerd op het boekje BOMEN van Roelant Meijer, uit de serie De verte voorbij.

En… alles naar wens?

Als ik aan de natuur denk, dan denk ik aan een haarscherpe close-up van een prachtige Sumatraanse tijger in een van alle kanten bedreigd tropisch regenwoud. Of aan een uniek shot, waar de filmploeg máánden op heeft gewacht, van een dolverliefde paradijsvogel. Of, vooruit, aan wilde Freekie, die uit zijn dak gaat als hij een groene boomhagedis spot.

De natuur, die moet groots en meeslepend zijn, want zo zijn we nu eenmaal geprogrammeerd. De natuur zien we graag in vol ornaat, met een enthousiaste beat eronder, of een gevoelig kwartetje strijkers, afhankelijk van het gevoel dat op de kijker moet worden overgebracht. En als we zelf de natuur ingaan, willen we ook graag beeindruckt raken. Vogelaars zoeken zéldzame vogels, bergbeklimmers een nóg hogere top, vissers laten zich fotograferen met de grootste zwaardvis die ze te pakken konden krijgen. Meer is beter!

Dus als ik aan de natuur denk, dan denk ik nooit aan akkers. Landbouwgrond… dat is toch precies het tegenovergestelde van natuur? Akkers zijn die plekken waar Moedertje Aarde genadeloos is verslagen, op haar zielige gat ligt en zuchtend afwacht wat komen gaat. Daarom haal ik mijn neus op voor alle maïsvelden, bietenakkers en palmolieplantages van deze wereld. Leuk hoor, al die nuttige gewassen, maar het zijn er veel te veel en ze staan allemaal op één plek. Boeien! Snel een ticket naar Borneo alsjeblieft, we hebben betere dingen te doen.

Maar dan krijg ik op een dag een klein boekje onder ogen, met een hemelsblauwe kaft. ANATOLISCHE AKKERS staat erop, en erin staan foto’s van akkers zo ver het oog reikt. Ik zie omgewoelde klei, een wolkenloze hemel, geduldig toekijkende bergen en restanten van harde stengels, beroofd van hun voedzame aar. De akkers zien eruit alsof ze al er duizenden jaren zo bij liggen. En misschien is dat ook wel zo.

En ik denk: de wereld is helemaal geen schouwspel. Nee, het is een tafel. Een tafel waaraan iedereen kan aanschuiven. Het enige wat we hoeven te doen, is die tafel een beetje subtiel inrichten, met niet te veel zilverwerk. En ons een beetje gedragen. Niet te gulzig opscheppen dus, een beetje met aandacht eten, hap voor hap. En vooral wat overlaten voor diegenen die óók trek hebben. Dan zal de aarde nooit ophouden ons te voeden.

Wel jammer voor die wilde dieren natuurlijk. Die voelen zich op een graanveld niet erg senang. Maar mocht ik ooit op een Anatolische akker een Sumatraanse tijger tegenkomen, dan zal ik in ieder geval niet meteen een foto van hem maken en die opgewonden aan al mijn vrienden appen. Nee, dan zal ik hem beleefd vragen of hij ook een hapje blieft. Tast toe vriend… er is genoeg voor iedereen!

Deze blog is geïnspireerd op het boekje ANATOLISCHE AKKERS van Roelant Meijer, uit de serie De verte voorbij.

Op z’n Hollands

Soms zijn er van die zinnen die je echt even op je in wil laten werken. Waar je woord voor woord op wil kauwen, om er zo lang mogelijk van te genieten. Want ja, tuurlijk zijn we trots op onze topatleet. En met geld verdienen is niks mis. Maar als je het op déze manier kunt formuleren, dan ben je gewoon een artiest. Dan ben je een grote.

Okee, komt ie.

‘Een frisse Hollandse meid in een heel unieke setting. Daar zitten heel veel mogelijkheden aan.’

Aldus Patrick Wouters van den Oudenweijer (chique naam!) van managementbureau House Of Sports. Die de belangen behartigt van Dafne Schippers, onze nieuwe Nelli Cooman (maar dan blank en blond). Schippers won zilver op de 100 meter sprint. Cooman won ooit, maar dat geheel terzijde, tweemaal goud. Maar dan op de 60 meter indoor, beduidend minder heroïsch natuurlijk dan de 100 meter outdoor. Joost mag weten waarom.

Maar goed, die prachtige zin dus. Die bestaat uit drie overheerlijke gangen. Eerste gang: ‘een frisse Hollandse meid’. Schippers is niet zomaar fris, nee, ze is fris én Hollands. Niet fris en Nederlands, niet fris en Utrechts, nee, wie écht fris is, is HOLLANDS. Net als onze bloemen, onze jongens, onze luchten en onze nuchterheid.

Tweede gang: ‘een heel unieke setting’. De setting is niet zomaar uniek, nee, die is HEEL uniek. Unieker kan eigenlijk niet, unieker dan dit gaan we het niet meemaken. Typisch HOLLANDS uniek, zou ik bijna willen zeggen. Zo uniek.

En dan de derde gang: ‘heel veel mogelijkheden’. Niet zomaar wat mogelijkheden, nee, HEEL veel. Een frisse Hollandse meid in een heel unieke setting, dat is gewoon een schot in de commerciële managementroos. The sky is the limit! Je moet wel zo blind zijn als een paard als je dat niet ziet.

Ik feliciteer de heer Patrick Wouters van den Oudenweijer van harte met zijn prachtige zin. De losse gangen zijn al hoogstandjes op zich, drie Michelinsterren meer dan waardig. Maar de drie gangen bij elkaar opgeteld, zijn pure poëzie. Ik wacht zijn unieke plannen voor onze Hollandse Dafne met frisse belangstelling af. En ik kan nu al niet wachten tot hij zijn mond weer opentrekt. Patrick, make us happy, ga voor goud!