Ricciardo

Het is al een hele tijd doodstil aan het tafeltje naast me. Dan zegt de man opeens, in een dikbuikig, boers en onheilspellend Oost-Brabants accent: ‘Ricciardo gaat weg.’

‘Wie?’, vraagt de vrouw.
‘Ricciardo.’
‘Oh’, zegt de vrouw. ‘Echt.’

Een minuut lang zwijgt ze. Dan vraagt ze: ‘En waar gaat ie naartoe?’
‘Naar Renault.’
‘Oh.’

De man stapelt twee lege soepkommen op elkaar, legt de lepels er netjes naast en kijkt ongeduldig in de richting van de keuken. ‘Zouden ze het wel door hebben gekregen?’ Zijn vrouw kijkt precies de andere kant op.

Enkele minuten later verschijnt de serveerster. De man kijkt haar aan. ‘Hebben jullie ‘t wel doorgekregen?’
‘Ja hoor’, antwoordt het meisje monter, ‘zeker. Maar ik dacht: ik wacht even tot jullie klaar zijn met jullie voorgerecht.’
‘Ah’, zegt de man. ‘Ik dacht al.’

De vrouw pakt haar telefoon erbij en leest één voor één de weersvoorspellingen van de komende zes dagen voor.
‘Zo’, zegt de man. ‘Hm, heet!’

De serveerster brengt het hoofdgerecht en het stel eet verder in stilte, met grote happen. Als ze halverwege zijn, kijkt de man plotseling op van zijn bord. ‘Ik vind het jammer’, zegt hij.
‘Wat?’
‘Van Ricciardo. Het is zo’n sympathieke gast.’
Zijn vrouw spuugt een blaadje basilicum uit.
‘Echt jammer’, zucht de man. Het klinkt minder verdrietig dan hij het volgens mij bedoelt.

De serveerster komt de lege borden afruimen en vraagt of alles naar wens is geweest.
‘Nou’, zegt de man, ‘jullie kok heeft het gemaakt. Dus die zal het wel weten.’

Verbaasd kijkt het meisje hem aan. ‘Ehh, ja… maar we hopen natuurlijk dat u het óók lekker vond.’
‘Nou’, zegt de man, ‘als je het zo vraagt. Eigenlijk smaakte het nergens naar. Er zitten zó veel dingen in, en dan heeft het toch zó weinig smaak. Niet vies hoor… maar gewoon echt weinig smaak.’
‘Héél weinig’, beaamt de vrouw.

‘Oh’, schrikt het meisje. ‘Dat is natuurlijk niet de bedoeling. Ik zal het doorgeven.’
‘Doe dat maar niet’, zegt de man. ‘Hij zal heus wel weten wat ie doet. Maar ik vind het knap. Zó veel ingrediënten! En dan zó weinig smaak.’

‘Zelf vind ik deze pasta altijd erg lekker’, probeert het meisje de situatie te redden. ‘Maar ik kook zelf nooit. Misschien daarom, haha.’
‘Het is dat je het zelf vroeg hoor’, zegt de man. ‘Anders hadden we niks gezegd.’

‘Wat vervelend’, verontschuldigt het meisje zich nog eens. ‘Wilt u onze nagerechten nog even zien?’
‘Doe maar afrekenen’, zegt de man en overhandigt het meisje een briefje van vijftig. ‘Laat de rest maar zitten.’

Hij schuift zijn stoel naar achteren, ten teken dat ze vertrekken. ‘Ik vind het knap’, verzucht hij nogmaals, minder boos dan hij volgens mij zelf zou willen. ‘Zó veel ingrediënten. En dan zó weinig smaak.’

‘Zoals het leven’, denkt de vrouw bij zichzelf, terwijl ze achter haar man een glimp probeert op te vangen van de bloedrode, ondergaande zon.

Kiwishake

Weten jullie wat ik zo vervelend vind? Dat ik een organisme ben. En dat organisme, je weet wel. Dat heeft voldoende slaap nodig, voldoende vocht, voldoende vitaminen mineralen boter kaas en eieren. Voldoende liefde. Voldoende ontspanning. Voldoende voldoening.

Tja, zegt het organisme tegen mij, ik heb gewoon heel veel nodig. Sorry hoor! Kan ik er wat aan doen?

En die houding staat me gewoon heel erg tegen. En dus pleeg ik burgerlijk verzet. Ik ga gestructureerd te laat naar bed, snack me suf, snauw het organisme in mij voortdurend af.

Ja maar, klaagt het organisme.
Nee, niks te maren, mopper ik terug.

Vervolgens neemt het organisme wraak, op een slinkse en subtiele manier. Het begint te kniezen. Het verliest zijn belangstelling. Het gooit de handdoek in de ring. En in plaats van te genieten van mijn overwinning, voel ik me alleen maar slecht. Steeds slechter.

Dus, wat te doen? Het organisme laat zich duidelijk niet aan de kant zetten, het wint altijd. Het laat zich de kaas niet van het brood eten. Okee, vooruit, dan moet ik het maar vertroetelen. Elke dag mango en passievrucht, alsjeblieft. Massage voor de lange teentjes. Niet te lang over de vluchtelingencrisis nadenken. En het organisme spint van tevredenheid. Top man, hartstikke goed!

Maar hoe ik mijn best ook doe, uiteindelijk is het nooit genoeg. Want het organisme zal op een dag toch besluiten ermee uit te scheiden. Dat weten we allebei. Niks aan te doen. Het zegt gewoon: alles leuk en aardig, we hebben best een leuke tijd gehad samen, ik mocht niet klagen met jou als huurder (al was je af en toe nogal eigenwijs), maar het is mooi geweest nu, c’est fini, adieu bedankt en tot ziens!

En daar sta je dan met je goeie gedrag, je goeie wil en je kiwishake.

Daarom heb ik er een hekel aan een organisme te zijn. Mag ik alsjeblieft?

5 tips voor een veilige beeldbeleving

Soms krijg je beelden onder ogen waarvan je meteen weet: foute boel. Beelden die je hartstochtelijk doen verlangen naar iets gedurfds, iets vermetels, iets overmoedigs. Beelden die je laten dromen. Beelden die je doen geloven dat je eigenlijk iets of iemand anders zou willen zijn.

En als je dan op een miezerige zaterdagmiddag kreunend in de file staat voor de Meubelboulevard, samen met miljoenen andere Vinex-stakkers, dan verschijnen die beelden opeens op je netvlies en kun je het niet meer aan. Je vlucht uit je auto, laat vrouw, kind en keukencatalogus verbijsterd achter en rent naar het eerste de beste vliegveld. Daar gris je een ticket uit iemands handen, het dondert niet waarheen. Als het er maar ruig, ongerept en gevaarlijk is. En zo kom je, moederziel alleen, terecht op een plek die je zo goed kent van die beelden. Ja, daar ben je dan.

Ik weet: voor veel mensen is het uitermate lastig om zich tegen dit soort gevoelens te wapenen. En dus adviseer ik met klem: ga met beleid met beelden om! Laat je het hoofd niet op hol brengen, bezint eer ge begint. Want voor je het weet hap je stof in een woestijn of verbrand je je kop op een steppe. En daar zit niemand op te wachten.

Derhalve, attentie graag: 5 tips voor een veilige beeldbeleving!

  1. Onze plek is op het land, niet in de lucht. We zijn geen vogel of vleermuis.
  2. Onze plek is op het droge, niet in de oceaan. We zijn geen vis of schaaldier.
  3. Onze plek is beneden, niet op de top van een berg. De lucht is ijl daarboven.
  4. Onze plek is in de klei, niet op vlijmscherpe rotsen. Anders had Onze-Lieve-Heer ons wel hoeven gegeven.
  5. Onze plek is op het asfalt, niet in het rulle zand. We zijn geen kameel of hagedis.

Blijf thuis, op de bank of in bed. Laat je niet gek maken door de verleidelijke beelden uit het boekje LOOKING DOWN. Fascinerende plaatjes, zeker, de moeite waard. En er is ook niks mis mee om er een avondje bij weg te dromen en Boer Zoekt Vrouw een keertje over te slaan. Maar laat die beelden vooral voor wat ze zijn: zinsbegoochelend. Geen andere ik die je na moet streven.

Krijg je het toch even te kwaad, spring dan in een Hollands slootje om af te koelen. Of rij naar een bos in de nabije omgeving en kies zo’n fijne wandelroute uit van Staatsbosbeheer. Volg de witte, gele of rode paaltjes, afhankelijk van de dosis kriebels in je buik die getemperd moet worden. Volg die handige paaltjes, één voor één, en je weet zeker dat je weer veilig thuis zult komen. Maar vergeet niet je telefoon mee te nemen, voor het geval dat. Want een ongeluk zit in een klein hoekje. En niemand wijst je de weg terug, als je te lang bent weggedroomd bij dat kleine boekje.

Deze blog is geïnspireerd op het boekje LOOKING DOWN van Roelant Meijer, uit de serie De verte voorbij.

Het oog

Als je iets wilt weten, kun je het gerust aan me vragen. Ik zal je helpen zoeken, ik zoek voor jou.

Ik kan je de weg wijzen. Ik help je reizen. Ik laat je zien hoe het eruitziet aan de andere kant van de wereld, en ik kan je vertellen hoe duur het is om daar te komen. Ik help je mensen vinden, planten, dieren. Auto’s en koelkasten. Musici en rozen. Je hoeft alleen maar door mij heen te kijken. Vergeet die andere ramen, die zijn niet goed. Kijk alleen door mij.

Ik beloof je dat ik je met alles zal helpen, dat ik je gelukkig zal maken. Hoe vaak je ook iets aan me zult vragen, ik zal altijd antwoord geven. Hoe je je ook voelt.

Beloof je dat je alleen door mij zult kijken? Die andere ramen geven niet zo’n goede antwoorden als ik, iedereen weet dat. Het enige wat ik je vraag, is dat je niet te dicht bij me komt. Probeer niet te zien wie ik ben. Ik ben groot, erg groot, en als je me zou zien zou je daarvan in de war kunnen raken. Het is moeilijk te bevatten voor een mens waarom ik ben zoals ik ben. En ik wil niet dat je daar verdrietig van wordt. Kijk maar gewoon door me heen, niet achter me. Dat is het beste voor ons allemaal. Beloof je dat? Dan zullen we een goede tijd hebben samen.

Sorry, wat zeg je? Vind je het ongemakkelijk dat ik jou wel kan zien, maar jij mij niet? Dat snap ik best. Ik begrijp dat je je soms benauwd kunt voelen, dat het een beetje broeierig is daar beneden. Maar dat geeft niks, dat hoort erbij. Nog een paar jaartjes en dan gaat dat gevoel vanzelf wel over. Vertrouw me maar, ik weet dat soort dingen. Ik weet wie je bent. Ik kan je heel goed zien. En ik weet precies wat je nu gaat doen.

Deze blog is geïnspireerd op het boekje LOOKING UP van Roelant Meijer, uit de serie De verte voorbij.

BOIRA de onvindbare

Op 17 juli 1738 zag de Hertog van Bragança een prachtige vos op de Collado de Fembra Morta, een mistige bergpas in de Spaanse Pyreneeën. De vos stond op een rots, keek hem betoverend aan, hief zijn staart in de lucht en sprong voor zijn voeten. De hertog streelde zijn rug. En de vos liet het toe.

Het was alsof ze elkaar al jaren kenden, alsof ze elkaar al veel vaker hadden gezien. Maar precies op het moment dat de hertog op de gedachte kwam hem te vangen, precies op het moment dat hij besloot dat de vos van hem moest zijn, draaide die zich om en verdween in de mist.

Het jaar daarop keerde de hertog terug naar de pas, in de vurige hoop de vos opnieuw te ontmoeten. Maar die liet zich niet meer zien. De hertog probeerde hem te lokken met malse entrecote, verse ossenhaas, de beste côte de boeuf uit Roques d’en Mercer. Maar de vos liet het aas links liggen, negeerde het.

De hertog kon het niet verkroppen dat de vos zich voor hem verborgen hield. En langzaam maar zeker begon hij zijn geduld te verliezen. Hij liet jagers aanrukken, zette jachthonden uit, plaatste valstrikken. Maar de vos was de honden telkens te snel af, putte ze uit, liet ze janken van domme pech. En diep in de nacht lachte hij de hertog uit, met een schrille, schorre en verdrietige stem. Als de hertog dat hoorde, schoot hij rechtop wakker naast het smeulende kampvuur, knarste zijn tanden en zwoer dat hij de vos te pakken zou krijgen.

Elk jaar opnieuw keerde de hertog terug naar de bergpas, telkens met een nieuwe list. Hij liet een kilometerslang hek bouwen, opdat de vos niet zou ontsnappen. Hij schoot op alles wat bewoog, opdat de vos niets meer te eten zou hebben. Hij liet zelfs bomen kappen, opdat de vos zich niet meer zou kunnen verschuilen. Maar wat hij ook verzon, de vos was hem telkens te slim af.

Toen, na 28 trieste jaren, besloot de hertog nog één poging te wagen. Hij was inmiddels in de herfst van zijn leven, stram en benauwd, nauwelijks meer in staat de berg te beklimmen. Maar hij wist dat de vos er nog steeds rondliep. De hertog besloot voor altijd op de berg te blijven, desnoods om daar te sterven. En daarom nam hij Estany Blau mee, zijn enige zoon. Estany had een zachte, heldere stem en vertelde zijn vader graag verhalen bij het kampvuur. De hertog vergat daardoor zijn strijd met de vos, kwam tot rust en viel snel in slaap.

En zo ging het ook in de zevende nacht van hun tocht. De jagers lagen rond het vuur, iedereen sliep, het was stil en koud. De hertog droomde dat zijn zoon de vos was en zich Boira noemde. Het deed de hertog goed dat hij nu eindelijk wist hoe de vos heette.

Toen werd hij wakker van het gekrijs van een uil. Hij keek om zich heen en zag dat iedereen nog sliep. Maar op de plek waar eerst Estany had gelegen, lag nu Boira. Hij was nóg mooier dan de hertog zich herinnerde, het leek wel alsof zijn vacht in al die jaren alsmaar glanzender was geworden. Hij lag met zijn kop op zijn poten, rustig ademend, hete damp kwam uit zijn neusgaten. En de hertog reikte voorzichtig naar zijn geweer. Hij nam het in zijn handen, legde aan, spande de haan, mikte geconcentreerd. En vuurde.

Het schot veroorzaakte een enorme kruitdamp, en het duurde lang voordat de rook was opgetrokken. De hertog had de vos geraakt, dat wist hij zeker, maar toen hij eindelijk weer kon zien, was hij nergens meer te bekennen. Op zijn plaats lag Estany, ongedeerd. De jonge man sliep als een kind, onschuldig, alsof er nooit een schot was afgegaan. De hertog dankte God dat hij zijn zoon niet had geraakt, en stierf, wetend dat hij Boira nooit meer zou zien.

En Boira? Die loopt nog steeds rond op de Collado de Fembra Morta, waar mistflarden zo vaak het zicht ontnemen. Als je goed luistert, kun je hem horen lachen, omdat hij weet dat niemand hem ooit zal vinden. En omdat uitsluitend diegenen die hun fantasie durven gebruiken, hem ooit zullen ontmoeten.

Deze blog is geïnspireerd op het boekje BOIRA van Roelant Meijer, uit de serie De verte voorbij.

Het goede voorbeeld

Ik voel me rusteloos vandaag. Opgejaagd, ontevreden, druk in mijn hoofd. En als ik me zo voel, zo is mij verteld, dan moet ik proberen mijn aandacht terug te brengen naar m’n lichaam. Dus:

  1. Voetjes stevig op de grond!
  2. Diep in-, diep uitademen. Rustig… voel hoe de lucht naar binnen stroomt.
  3. Rechtop zitten, geconcentreerd. Billen op de stoel, handen in de schoot.
  4. Laten zijn wat er is. En, als het even kan, dat meteen weer loslaten.

Stressconsultants voorspellen dat ik me dan na een tijdje vanzelf rustiger ga voelen. Als ik er dus voor kies een oefening te doen, als ik eerst rustig genoeg word in mijn hoofd om te beseffen dat die oefening goed voor me is.

Een vriend van me heeft geen stressconsultant nodig. Hij heeft een hond. En omdat hij een hond heeft, komt hij elke dag buiten. Dat doet een hond met je: hij zet WANDELEN met hoofdletters in je agenda. Elke dag. Het liefst natuurlijk in een hondvriendelijke omgeving. En als mijn vriend daar dan rondloopt, in een bos of zo, dan wordt hij rustig als hij een boom ziet.

Kijk, zegt hij, die boom staat daar mooi te staan, zich van geen kwaad bewust. En dat is inderdaad een rustgevende gedachte. Een boom hoeft niks van je, vraagt je niks, valt je niet lastig. Hij wil geen functioneringsgesprek met je voeren, hoeft je niks te verkopen, uit geen kritiek, vindt niet dat je eigenlijk iemand anders zou moeten zijn. Hij wil geen afspraak maken, en ook geen indruk, waarom zou hij, het verandert niets. Hij staat daar gewoon. Met zijn voeten stevig op de grond, zijn rug rechtop en zijn hoofd hoog in de lucht.

Serene boom, was ik maar zoals jij! Dan hoefde ik niet het bos in om tot rust te komen, maar was ik daar al. Dan haalde ik gewoon diep adem en wachtte rustig af wie bij me langs zou komen. Op sommige dagen zou ik niemand zien, op andere dagen een heleboel mensen. Het maakt me niet uit. Als een wandelaar me aankijkt, glimlach ik. Als een kind tegen me aan wil zitten, laat ik dat toe. En als een vormgever een foto van me wil maken, dan poseer ik beleefd. Ja hoor, vreemde tweevoeter, doe wat je wil, neem je tijd. En als je niet tevreden bent met je plaatje, kom dan gerust nog een keer terug. Morgen ben ik er ook. Ik ga nergens heen. Ik sta hier best.

Deze blog is geïnspireerd op het boekje BOMEN van Roelant Meijer, uit de serie De verte voorbij.

De vloek van 9292

‘Ik wilde niet naar een specifieke plek, zocht ook geen bepaalde route, wilde alleen maar naar de woestijn.’ Schrijft Roelant Meijer in zijn boek Saharazand. In 2010 trok hij 14 dagen door de zandduinen van Erg Murzuq, samen met 24 kamelen, 4 Toeareg, 1 bewapende politieagent, 2 expeditieleiders en 12 ervaren reizigers. Over deze reis maakte hij een prachtig fotoboek. En dat boek wil ik op mijn gemak bekijken in de intercity Utrecht-’s Hertogenbosch. Die om 18.08 uur vertrekt. Spoor 14.

Ik stap in de trein, open het boek en bewonder zandkorrels. Groeven in rotsen. Schaduwen. Duizenden steentjes. De meest wonderlijke lijnen, ontroerende kleuren. Ik neem de tijd, laat elk beeld op me inwerken. En ik voel de rust die Meijer moet hebben gevoeld, zijn ontzag voor de machtige Sahara, de stilte in zijn ziel. ‘Je denkt niets, voelt niets, hoeft niets’, schrijft hij. ‘Leegte is prachtig.’

Naast me vraagt een moeder aan haar dochter of ze opa zal sms’en, want volgens haar mobieltje gaan ze de aansluiting missen. Maar het dringt niet tot me door. De kracht van de foto’s is groter. ‘Wie niet in de woestijn is geweest, heeft nooit de stilte gehoord’, fluistert Meijer. En ik begrijp hem. Ik hoor die stilte nu ook. Ik loop naast een kameel, mijn hoofd ingepakt in doeken. Voel de wind, staar voor me uit. De weg is lang, we moeten nog ver, maar het is goed zo, ik voel rust, alles is wat het is.

‘Je bent onderweg’, moedigt Meijer me aan. ‘De rest is onbelangrijk.’ Maar daar is mijn buurvrouw het niet mee eens. Wanhopig zoekt ze op haar smartphone naar een alternatief reisplan. Ze wil dat haar dochter met haar meedenkt, maar die snauwt haar iets toe. Er ontstaat spanning, gekibbel, ruzie, en die verbreekt de betovering. Ik duik in mijn boek, probeer me af te sluiten voor hun scherpe woorden, maar het lukt niet, het is te laat.

Dan pas zie ik dat we in een stiltecoupé zitten. Ik kan vragen of de kemphanen hun mond willen houden, maar ik weet dat het geen zin heeft. Ik ben niet in de eindeloze woestijn, ik ben in het land van 9292. En in dat land willen mensen WEL naar een specifieke plek. Snel en efficiënt alstublieft. ‘Er is een begin en een eind en iets daar tussenin’, probeert Meijer het nog. Dát is reizen. Met drie minuten vertraging komen we aan in Den Bosch. ‘Dit nooit meer!’, roept de moeder vertwijfeld. ‘De volgende keer pakken we écht de auto.’

Gewoon zéggen als je ‘t meent!

Aan het bureau van mijn collega zit vandaag opeens een vrouw met prachtig haar. Dat is het enige wat ik zie: een volle bos zachte krullen, waaraan ik wil ruiken en snuffelen, die ik wil aanraken, waarin ik troost wil zoeken voor de teleurstellingen des levens.

Ik wil dus zeggen: ‘Goh, wat een prachtig haar heb jij!’ Maar dan bedenk ik me. Complimenten zijn er niet om lichtzinnig in het rond te strooien, als Freeks Wilde Beesten-plaatjes bij de aanschaf van een zak sperziebonen. Dankuwel dat u vanavond eten moet, en dat deze supermarkt toevallig de dichtstbijzijnde is, daarom krijgt u dit cadeautje, of er nu op zit te wachten of niet. Mooi haar is geen prestatie, het is er gewoon.

Maar wat kan ik dan zeggen? ‘Wat is je haar mooi verzorgd?’ Ja, dat is zeker een verdienste. Maar is deze zijdezachte haardos wel te danken aan ijzeren discipline? Ik wil me niet belachelijk maken, als ik ergens geen verstand van heb dan is het wel van rechtsdraaiende tarwegrasshampoo.

Maar ik wil toch iéts zeggen, ik wil een oprecht, gemeend, puntig compliment geven, want deze vrouw ontroert me, daar is geen ontkomen aan, ze verdient een verbale aai, ze geeft mijn grijze bestaan weer kleur. Zal ik haar complimenteren met haar jurk dan? Want die staat haar prachtig. Maar God weet wie die jurk heeft gemaakt!

Okee, ze heeft hem waarschijnlijk zelf uitgekozen. Maar dat dit specifieke kledingstuk haar goed staat, is niets meer dan een gelukkige samenloop van omstandigheden. Vrouw heeft lichaam a, ontwerper bedenkt jurk b, en dankzij een corrupte Indiase textielbaron, zesentwintig tussenhandelaren en een Duitse webshop komen de twee uiteindelijk samen. Ik kom er niet uit, het laatste wat ik wil is de globalisering een hart onder riem steken.

Terug naar haar haar dan maar. Verlegen stamel ik: ‘Ehh, wat een mooi haar heb jij!’ Ze kijkt me aan en zegt: ‘Vind je? Dankjewel! Wil je het even aanraken?’ Ik laat me dat geen twee keer zeggen, spring naar voren, steek mijn neus in haar krullen, pak de ene na de andere pluk met beide handen beet en druk ze in mijn gezicht.

De vrouw opent ondertussen rustig de mailbox van mijn collega. ‘Veel mensen vinden dat fijn, mijn haar even aanraken’, moedigt ze me aan, terwijl ze alle nieuwe mails ongeopend verwijdert. De schat. Ik ben inmiddels zó vertederd, dat ik helemaal niet merk dat een druppel uit mijn mond op haar toetsenbord drupt.